Notionele intrestaftrek

De wet van 22 juni 2005 voert vanaf het aanslagjaar 2007 - dit wil zeggen boekjaren die afsluiten op 31 december 2006 of later - het systeem in van de notionele interestaftrek. Deze hervorming in de vennootschapsbelasting is erop gericht de discriminatie van risicokapitaal ten opzichte van gelden die van derden geleend zijn te verminderen. Het risicokapitaal is het boekhoudkundig eigen vermogen van de onderneming op het einde van het vorig boekjaar verminderd met een aantal correcties. Van het eigen vermogen worden in mindering gebracht:

. de fiscale netto waarde op het einde van het voorgaande belastbare tijdperk van eigen aandelen, aandelen financiële vaste activa en aandelen beleggingsvennootschappen (DBI);
. het boekhoudkundig netto-actief van buitenlandse verrichtingen in landen met dubbelbelastingverdrag (met uitsluiting van de hierboven bedoelde aandelen);
. het verschil tussen enerzijdse de netto boekwaarde en anderzijds schulden en voorzieningen met betrekking tot in het buitenland gelegen onroerende goederen waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn ingevolge een dubbelbelastingverdrag;
. de nettoboekwaarde van:
- materiële vaste activa in zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijk wijze de beroepsbehoeften overtreffen;
- beleggingen die niet bestemd zijn om periodiek belastbare inkomsten op te brengen;
- de boekwaarde van onroerende goederen waarvan de bedrijfsleiders het gebruik hebben;
- het vrijgesteld bedrag van de uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarden;
- het bedrag van de kapitaalsubsidies.
Op de belastbare basis in de vennootschapsbelasting wordt een aftrek toegestaan voor een bedrag gelijk aan de fictieve rentabiliteit van het eigen vermogen, berekend op een OLO-rentevoet op 10 jaar. De rentevoet van de notionele intrestaftrek wordt jaarlijks vastgelegd. In het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2006 werd een bericht van de FOD Financiën gepubliceerd waarin het tarief van de aftrek voor het aanslagjaar 2007 bepaald wordt op 3,442 %. Voor de vennootschappen die aangemerkt worden als kleine vennootschappen bedraagt het tarief 3,942 %. Deze aftrek dient te worden toegepast na de aftrek van de definitief belaste inkomsten (DBI) maar vóór de aftrek vorige verliezen en de investeringsaftrek.

Het grote pluspunt van deze maatregel bestaat erin dat de huidige discriminatie tussen de fiscale behandeling van financiering met vreemd vermogen (de betaalde interesten zijn momenteel immers aftrekbaar van de belastbare basis) en financiering met eigen vermogen voor een groot stuk wordt rechtgetrokken, waardoor de autofinanciering van alle ondernemingen wordt gestimuleerd, met inbegrip van de KMO’s. Deze maatregel zal leiden tot meer kredietwaardige ondernemingen, het aantal faillissementen verminderen en het oprichten van ondernemingen stimuleren.

De vermindering wordt verleend aan alle vennootschappen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting niet-inwoners vennootschappen. Zijn uitgesloten:

. de erkende coördinatiecentra die voor het belastbare tijdperk genieten van de voordelen van het KB nr. 187;
. de vestigingen in een reconversiezone die voor het belastbare tijdperk genieten van de voordelen van de herstelwet van 31 juli 1984;
. de beleggingsvennootschappen;
. de coöperatieve participatievennootschappen;
. de zeescheepvaartvennootschappen die aan de tonnagetaks worden onderworpen;
. de KMO's die opteren voor de aanleg van een vrijgestelde investeringsreserve.
Indien er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is om de aftrek voor risicokapitaal in mindering te kunnen brengen, dan wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet-verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de zeven volgende jaren. Na de zeven jaren volgend op het tijdperk waarin de notionele intresten niet konden afgetrokken worden wegens onvoldoende winst, is het eventuele niet-verleende saldo van de vrijstelling, verloren.

Om de aftrek van risicokapitaal te compenseren zijn maatregelen voorzien:

. het tarief van de gewone investeringsaftrek van toepassing op de KMO's en het tarief van de gespreide aftrek voor alle behalve groene investeringen, van toepassing op venootschappen die op de eerste dag van het belastbaar tijdperk minder dan 20 werknemers tewerkstellen, worden teruggebracht tot nul;
. het belastingkrediet voor eigen vermogen van de KMO's wordt afgeschaft;
. de wettelijke definitie van de meerwaarde wordt gewijzigd: die moet voortaan overeenkomen met het bedrag verminderd met kosten van vervreemding.
De invoering van de notionele intrestaftrek gaat gepaard met de afschaffing vanaf januari 2006 van het inbrengrecht van 0,5% in het vennootschapsvermogen en van het registratierecht op de verhoging van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng.

De KMO's moeten kiezen tussen de investeringsreserve en de aftrek voor risicokapitaal.

De KMO's die een vrijgestelde investeringsreserve hebben aangelegd tijdens het belastbaar tijdperk (die dus belast worden tegen het verminderde tarief), zullen die niet kunnen combineren met het voordeel van de aftrek voor risicokapitaal, noch voor het betreffend belastbaar tijdperk noch voor de twee volgende tijdperken.

Eveneens met het doel de financiering van de vennootschap met eigen vermogen te bevorderen, voorziet de wet van 31 januari 2006156 in een fiscale gelijkstelling van winstbewijzen met gestort kapitaal. Dit heeft onder meer tot gevolg dat zulke geldinbrengen bij uitgifte van winstbewijzen niet bij de belastbare winst gevoegd worden, terwijl de terugbetaling ervan in hoofde van de winstbewijshouder niet als een belastbaar dividend wordt aangemerkt. Deze bepalingen zijn van toepassing op winstbewijzen uitgegeven vanaf 1 januari 2005.

Inlichtingen / Bron :

FOD Financiën
Algemene Administratie van de Belastingen en Invordering
Ondernemings- en inkomensfiscaliteit - Directie I/1
e-mail: steven.vanlierde@minfin.fed.be
tel.: 02/336.53.82